Uitspraak
16.5326 AOW
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, geboren in 1947, werkte van 1 augustus 1971 tot 31 december 1977 bij een volkenrechtelijke organisatie met een eigen pensioenregeling en was daardoor volgens KB 557 en KB 575 niet verzekerd voor de AOW. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees een AOW-pensioen af op basis van deze uitsluitingsgrond.
De rechtbank Amsterdam oordeelde echter dat betrokkene wel verzekerd was en vernietigde het besluit van de Svb, omdat onvoldoende was toegelicht waarom de aangehaalde vergelijkbare gevallen anders werden behandeld. De Raad voor de Rechtspraak stelde in hoger beroep vast dat de zinsnede ‘niet geacht kan worden blijvend binnen het Rijk te wonen’ een juridische fictie is die bepaalt dat medewerkers van volkenrechtelijke organisaties niet als ingezetene van Nederland worden beschouwd voor sociale verzekeringen.
De Raad concludeerde dat betrokkene daardoor niet verzekerd was voor de AOW in de betreffende periode, ongeacht het feit dat zij feitelijk in Nederland woonde. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat betrokkene onvoldoende vergelijkbare gevallen had onderbouwd. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard en betrokkene was niet verzekerd voor de AOW in de periode 1971-1977.