Appellant, voormalig tekenaar/werkvoorbereider, meldde zich ziek wegens rugklachten en ontving langdurig ziekengeld. Het UWV stelde per 12 september 2016 vast dat appellant weer geschikt was voor zijn eigen arbeid en beëindigde het ziekengeld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het UWV een zorgvuldig medisch onderzoek had verricht en de belastbaarheid juist had ingeschat.
In hoger beroep betoogde appellant dat het medisch onderzoek onvoldoende rekening hield met zijn chronische klachten en dat het UWV de ontwikkelingen rondom pijnbehandeling had moeten afwachten. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat gezien het medische en uitkeringsverleden, waaronder een herstelverklaring en latere ziekmelding, het voordeel van de twijfel aan appellant moet worden gegeven. De Raad volgde de rechtbank niet in haar oordeel dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de belastbaarheid.
De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit en herroept het besluit van 2 september 2016. Hierdoor behoudt appellant zijn recht op ziekengeld vanaf 12 september 2016. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.