ECLI:NL:CRVB:2019:1089
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.M. van Dun
- R.P.W. Jongbloed
- Rechtspraak.nl
Geen arbeidsovereenkomst bij zorgverlening binnen familie, geen recht op WW-uitkering
Appellante heeft een WW-uitkering aangevraagd na beëindiging van haar zorgwerkzaamheden voor haar moeder. Het UWV wees de uitkering af omdat zij niet als werknemer werd beschouwd, aangezien de zorgovereenkomsten geen arbeidsovereenkomst vormden en de arbeidsrelatie werd beheerst door de familieband.
De rechtbank oordeelde dat essentiële elementen van een arbeidsovereenkomst ontbraken, zoals duidelijke functieomschrijving, werktijden, loonafspraken en recht op vakantie. Ook was er geen gezagsverhouding, mede omdat appellante verplicht was mee te reizen naar Turkije en zich niet ziek kon melden.
In hoger beroep stelde appellante dat er wel een privaatrechtelijke dienstbetrekking was, mede door opdrachten van haar broer als bewindvoerder en strengere voorwaarden dan bij een normale werknemer. De Raad concludeerde echter dat de familierelatie de arbeidsrelatie domineerde en dat geen gezagsverhouding bestond.
De Raad wees ook het beroep op psychische klachten af, omdat deze pas na het sluiten van de overeenkomsten waren vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante geen werknemer was in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW en dus geen recht had op een WW-uitkering.
Uitkomst: Appellante is geen werknemer in de zin van de WW en heeft geen recht op een WW-uitkering.