ECLI:NL:CRVB:2019:1092
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor beheerskosten persoonsgebonden budget
Appellant had in 2015 een persoonsgebonden budget (pgb) voor 24-uurszorg en vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van beheer van het pgb door een bewindvoerder. Het college wees deze aanvraag af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de kosten noodzakelijk waren volgens artikel 35 van Pro de Participatiewet (PW).
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat bijzondere bijstand alleen kan worden toegekend als appellant daadwerkelijk was aangewezen op zorg via een pgb en niet kon kiezen voor zorg in natura (ZIN). Appellant had onvoldoende aangetoond dat er geen zorgverleners waren die ZIN konden leveren.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij vanwege zijn kwetsbare positie en de opgebouwde relatie met zijn zorgverlener aangewezen was op zorg via het pgb. Hij overlegde een ongedateerd en niet ondertekend schrijven van een zorginstelling ter onderbouwing. De Raad oordeelde echter dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat overstappen naar een andere zorgverlener niet mogelijk was en dat de kosten daarom niet als noodzakelijke kosten konden worden aangemerkt.
De Raad stelde ook vast dat het eerdere toekennen van bijzondere bijstand niet leidde tot een recht op herhaling, aangezien het college bevoegd is zijn beleid te wijzigen zonder strijd met rechtszekerheid. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor de beheerskosten van het pgb wordt bevestigd omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij was aangewezen op zorg via het pgb.