ECLI:NL:CRVB:2019:1094
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens ontbreken hoofdverblijf op uitkeringsadres
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Het college stelde na onderzoek vast dat appellant geen hoofdverblijf had op dat adres en trok de bijstand over een periode in, met terugvordering van de kosten.
De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en vernietigde het besluit voor de periode na beëindiging van de bijstand, maar liet het besluit voor de eerdere periode in stand. Appellant ging in hoger beroep tegen dit oordeel.
De Raad beoordeelde het water- en elektriciteitsverbruik, verklaringen van buurtbewoners en andere onderzoeksbevindingen. Er was sprake van extreem laag waterverbruik in een deelperiode, wat een sterke aanwijzing is dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde. Ook in de andere periode was het verbruik laag en ondersteunden verklaringen dat appellant zijn hoofdverblijf elders had.
De Raad concludeerde dat het college voldoende feiten had verzameld om het besluit te dragen en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij wel op het uitkeringsadres woonde. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd.