ECLI:NL:CRVB:2019:1123
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten beheer pgb door bewindvoerder
Appellante had een persoonsgebonden budget (pgb) voor 24-uurszorg en vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van beheer van het pgb door een bewindvoerder. Het college wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat deze kosten noodzakelijk waren volgens artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (PW).
De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat alleen bijzondere bijstand voor bewindkosten kan worden toegekend als de betrokkene aantoonbaar was aangewezen op zorg via een pgb. Appellante had onvoldoende aangetoond dat zij niet kon kiezen voor zorg in natura (ZIN).
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij ondanks de mogelijkheid van ZIN was aangewezen op zorg via een pgb vanwege haar kwetsbare positie en de opgebouwde band met haar zorgverlener. Ter onderbouwing overhandigde zij een ongedateerd, niet ondertekend bericht van een orthopedagoog.
De Raad oordeelde dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat appellante niet kon overstappen naar een andere zorgverlener en dat zij dus niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij aangewezen was op zorg via een pgb. Daarom zijn de beheerskosten niet als noodzakelijke kosten aan te merken en is de afwijzing van bijzondere bijstand terecht. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor de kosten van beheer van het pgb wordt bevestigd omdat niet is aangetoond dat appellante was aangewezen op zorg in de vorm van een pgb.