ECLI:NL:CRVB:2019:1123

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 maart 2019
Publicatiedatum
1 april 2019
Zaaknummer
17/2101 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten beheer pgb door bewindvoerder

Appellante had een persoonsgebonden budget (pgb) voor 24-uurszorg en vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van beheer van het pgb door een bewindvoerder. Het college wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat deze kosten noodzakelijk waren volgens artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (PW).

De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat alleen bijzondere bijstand voor bewindkosten kan worden toegekend als de betrokkene aantoonbaar was aangewezen op zorg via een pgb. Appellante had onvoldoende aangetoond dat zij niet kon kiezen voor zorg in natura (ZIN).

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij ondanks de mogelijkheid van ZIN was aangewezen op zorg via een pgb vanwege haar kwetsbare positie en de opgebouwde band met haar zorgverlener. Ter onderbouwing overhandigde zij een ongedateerd, niet ondertekend bericht van een orthopedagoog.

De Raad oordeelde dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat appellante niet kon overstappen naar een andere zorgverlener en dat zij dus niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij aangewezen was op zorg via een pgb. Daarom zijn de beheerskosten niet als noodzakelijke kosten aan te merken en is de afwijzing van bijzondere bijstand terecht. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor de kosten van beheer van het pgb wordt bevestigd omdat niet is aangetoond dat appellante was aangewezen op zorg in de vorm van een pgb.

Uitspraak

17.2101 PW

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
7 maart 2017, 16/3933 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)
Datum uitspraak: 19 maart 2019
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. T.P. Boer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft gelijktijdig met de zaken 17/2104 PW en 17/2105 PW plaatsgevonden op 4 februari 2019. Namens appellante is mr. Boer verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P.T.F.A. de Boer. In de hiervoor genoemde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij beschikking van 24 januari 2014 heeft de kantonrechter van de rechtbank Gelderland de goederen die (zullen) toebehoren aan appellante onder bewind gesteld en [Naam A] tot bewindvoerder benoemd. In 2015 heeft appellante een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangen voor 24 uurs zorg. Op 18 december 2015 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) voor de kosten van beheer van het pgb door de bewindvoerder tot een bedrag van € 589,87.
1.2.
Bij besluit van 7 maart 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 juni 2016 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand afgewezen. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe, onder verwijzing naar de uitspraak van
21 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1654, overwogen dat slechts sprake kan zijn van bijzondere bijstand voor de kosten van bewind als de betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat hij is aangewezen op zorg in de vorm van een pgb. Als sprake is van een vrije keuze tussen zorg in de vorm van een pgb en zorg in natura (ZIN), dan kunnen de gevolgen van die keuze - de beheerskosten - niet worden afgewenteld op de bijstand. In dit geval heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in 2015 was aangewezen op zorg in de vorm van een pgb. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat er geen zorgverleners waren die de benodigde zorg in de vorm van ZIN konden verlenen. Dit betekent dat de kosten van beheer van het pgb niet kunnen worden aangemerkt als noodzakelijke kosten, zodat het college de aanvraag om bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
4.2.
Niet in geschil is dat de kosten zich voordoen. Alleen de vraag of de kosten noodzakelijk waren ligt voor.
4.3.
Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag.
4.4.
Niet langer in geschil is dat in 2015 voor appellante de mogelijkheid bestond van ZIN. Appellante heeft zich echter op het standpunt gesteld dat zij, ondanks de mogelijkheid van ZIN, was aangewezen op zorg in de vorm van een pgb. Appellante heeft hiertoe aangevoerd dat zij in een kwetsbare positie verkeerde, dat zij met haar zorgverlener bij de Zorgdrager een band had opgebouwd en dat de betreffende zorgverlener geen ZIN kon leveren. Gelet op deze omstandigheden kon van appellante niet worden verlangd dat zij de relatie met haar zorgverlener zou verbreken. Dit betekent dat appellante was aangewezen op zorg in de vorm van een pgb en dat de hiermee gepaard gaande kosten zijn aan te merken als noodzakelijke kosten.
4.5.
Ter onderbouwing van het onder 4.4 vermelde standpunt heeft appellante een ongedateerd en niet ondertekend bericht van een niet met naam genoemde orthopedagoog overgelegd. Dit bericht bevat een algemene beschrijving van de werkwijze van de Zorgdrager. Voorts is vermeld dat appellante bij opname niet groepsgeschikt was, dat zij baat heeft bij de individuele benadering van de Zorgdrager en dat haar een woonplek zonder huisgenoten is toegewezen met 24 uur zorg op locatie.
4.6.
Uit de door appellante overlegde gegevens kan, anders dan zij heeft betoogd, niet worden afgeleid dat appellante in een situatie verkeerde waarin de overstap naar een andere zorgverlener voor haar niet mogelijk was. Hieruit volgt dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij was aangewezen op zorgverlening door de Zorgdrager en daarmee op zorg in de vorm van een pgb. De kosten waarvoor appellante bijzondere bijstand heeft aangevraagd zijn dan ook niet aan te merken als noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW. Dit betekent dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen.
4.7.
Uit 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en G.M.G. Hink en
J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van F.H.R.M. Robbers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2019.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) F.H.R.M. Robbers
md