ECLI:NL:CRVB:2019:1138
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens voldoende medische grondslag bevestigd
Appellante, werkzaam als operator, meldde zich in oktober 2010 ziek vanwege rugklachten en ontwikkelde later ook psychische klachten. Na afloop van de wachttijd werd zij in 2012 gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard en kreeg zij een WGA-uitkering, die in 2013 werd omgezet in een vervolguitkering. In 2016 meldde zij een verslechtering van haar gezondheid, waarna een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige haar opnieuw beoordeelden.
De verzekeringsarts concludeerde dat er geen medische wijziging was ten opzichte van eerdere beoordelingen en stelde een Functionele Mogelijkhedenlijst op. De arbeidsdeskundige stelde vast dat appellante niet geschikt was voor haar eigen werk, maar wel voor andere functies zonder loonverlies. Op basis hiervan besloot het UWV in augustus 2016 de WIA-uitkering te beëindigen.
Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen, en de rechtbank verklaarde haar beroep ongegrond. In hoger beroep voerde zij aan dat haar beperkingen te positief waren ingeschat, maar de Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat geen nieuwe medische informatie was aangeleverd die een andere beoordeling rechtvaardigde. Ook de arbeidskundige beoordeling werd onderschreven.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor het benoemen van een deskundige en er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering van appellante terecht is beëindigd wegens voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing.