ECLI:NL:CRVB:2019:1139
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig verwarmingsmonteur, meldde zich ziek met klachten aan heup, schouder en nek en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV besloot dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geen recht had op de uitkering, omdat hij geschikt werd geacht voor andere functies dan zijn eigen werk.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat er geen aanwijzingen waren dat de medische beoordeling onjuist of onzorgvuldig was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn pijnklachten onvoldoende werden meegewogen en dat hij de geselecteerde functies niet kon verrichten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was uitgevoerd, met inachtneming van alle klachten en medische rapporten. Nieuwe medische stukken uit 2018 konden niet leiden tot een andere beoordeling op de datum van 21 december 2015. Ook de arbeidsdeskundige had gemotiveerd dat appellant de functies kon vervullen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.