ECLI:NL:CRVB:2019:1140
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten
Appellant ontving sinds april 2017 een WW-uitkering. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verlaagde deze uitkering met 25% voor twee achtereenvolgende perioden wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten. Dit leidde feitelijk tot een verlaging van 50% gedurende een deel van de periode.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het Uwv verklaarde deze bezwaren ongegrond. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij aan zijn sollicitatieplicht had voldaan en wees het beroep af.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat hij wel voldoende had gesolliciteerd, onder meer door te stellen dat sollicitatiegesprekken met een recruiter van een bedrijf ook betrekking hadden op meerdere vacatures bij zusterondernemingen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellant dit niet met concrete en verifieerbare gegevens had onderbouwd en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de sollicitatieplicht onvoldoende was nageleefd.
De Raad bevestigde daarmee de verlaging van de WW-uitkering en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De verlaging van de WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten wordt bevestigd.