Appellante was sinds 2006 arbeidsongeschikt wegens een whiplashtrauma en ontving een WIA-uitkering. Na diverse herbeoordelingen stelde het UWV in 2016 de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 52,46%. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens procedurele tekortkomingen, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat het medisch oordeel voldoende was onderbouwd.
In hoger beroep betoogde appellante dat haar beperkingen niet volledig waren meegenomen en dat de geselecteerde functies niet geschikt waren. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante geen nieuwe medische gegevens had overgelegd en dat de arbeidsdeskundige overtuigend had aangetoond dat zij geschikt was voor de functies binnen haar belastbaarheid.
De Raad bevestigde daarom de rechtbankuitspraak en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.