ECLI:NL:CRVB:2019:1151
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontzegging WW-uitkering wegens overschrijding aanvraagtermijn zonder bijzonder geval
Appellante ontving sinds maart 2014 een Ziektewet-uitkering die per 27 maart 2015 werd beëindigd. Zij vroeg op 10 januari 2017 een WW-uitkering aan met terugwerkende kracht vanaf 27 maart 2015. Het UWV ontzegde de uitkering omdat de aanvraag meer dan 26 weken na de aanvang van de uitkeringsperiode was ingediend, zonder dat sprake was van een bijzonder geval volgens artikel 35 WW Pro.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellante tegen deze beslissing ongegrond, omdat zij haar stelling dat psychische klachten haar tijdige aanvraag belemmerden niet met medische stukken onderbouwde. Ook was het niet aannemelijk dat zij wel bezwaar kon maken tegen de beëindiging van de ZW-uitkering maar niet tijdig een WW-uitkering kon aanvragen, mede omdat het UWV haar expliciet op deze mogelijkheid had gewezen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt zonder nieuwe onderbouwing en verscheen zij niet ter zitting. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde de ontzegging van de WW-uitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de ontzegging van de WW-uitkering wegens te late aanvraag zonder bijzonder geval.