ECLI:NL:CRVB:2019:116
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk bevestigd
Appellante was werkzaam als receptioniste/administratief medewerker en ontving sinds 2012 een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV beëindigde deze uitkering per 2 september 2015 omdat zij geschikt werd geacht voor haar eigen werk. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde vast dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
In hoger beroep betwistte appellante haar geschiktheid, onder meer omdat haar oude functie niet meer bestond en de voorgestelde soortgelijke functie andere belastingen kent. Het UWV handhaafde haar standpunt dat soortgelijke functies elders beschikbaar zijn en dat appellante geschikt is voor deze functies.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek adequaat en volledig was en dat de arbeidsdeskundige overtuigend had aangetoond dat appellante geschikt was voor haar eigen werk of soortgelijke functies. De Raad vond geen bijzondere omstandigheden die de vooronderstelling van arbeidsongeschiktheid weerleggen. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de beëindiging van de WIA-uitkering bevestigd.
Er werd geen schadevergoeding toegekend en ook geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht meer heeft op WIA-uitkering omdat zij geschikt is voor haar eigen werk.