ECLI:NL:CRVB:2019:1195
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging zorgvuldigheid UWV bij vaststelling functionele mogelijkheden en WIA-uitkering
Appellant is sinds 10 oktober 2009 arbeidsongeschikt wegens diverse klachten na een val. Het UWV weigerde aanvankelijk een WIA-uitkering vanaf 10 oktober 2011 vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 7 april 2014, stelde het UWV beperkingen vast en kende een loongerelateerde WGA-uitkering toe vanaf die datum.
Na bezwaar en beroep erkende het UWV meer beperkingen, met name door longklachten, en verhoogde de uitkering per 9 juni 2014 naar 35% van het wettelijk minimumloon. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en de geselecteerde functies passend.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn psychische en longklachten, en dat de geselecteerde functies niet geschikt waren. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en het UWV, waarbij werd benadrukt dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld en de functies passend waren bij het opleidingsniveau en de beperkingen van appellant.
De Raad concludeerde dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat verdere beperkingen noodzakelijk waren en dat de toegenomen longklachten zich na de beoordelingsdatum hadden voorgedaan. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank dat appellant recht heeft op een WGA-vervolguitkering van 35% vanaf 9 juni 2014.