Appellante is sinds februari 2014 arbeidsongeschikt vanwege schouderklachten en heeft een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft haar aanvraag afgewezen omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Diverse medische en arbeidsdeskundige onderzoeken, waaronder rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, hebben vastgesteld dat appellante fysiek in staat is om bepaalde voorbeeldfuncties te verrichten, ondanks haar klachten.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard, waarbij zij de motivering van het UWV en de onderzoeken van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen volgde. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen niet juist waren meegenomen, onder meer vanwege onduidelijkheden over haar reikwijdte, psychische klachten, medicijngebruik en opleidingsniveau.
De Centrale Raad van Beroep heeft deze bezwaren onderzocht en geoordeeld dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) en de rapporten voldoende rekening houden met haar klachten en beperkingen. De Raad vond geen aanleiding om de eerdere conclusies te wijzigen of een deskundige aan te stellen. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.