ECLI:NL:CRVB:2019:1225
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning bijzondere bijstand voor was- en slijtagekosten op basis van GGD-advies
Appellant, die lijdt aan de ziekte van Crohn, vroeg bijzondere bijstand aan voor extra was- en slijtagekosten van kleding en beddengoed. Het college kende op basis van een GGD-advies uit 2014 een bedrag van €230,- toe, na bezwaar verhoogd van €216,54 naar €230,-. Appellant stelde dat zijn kosten hoger waren, namelijk circa €70,- per maand, maar kon dit niet met objectieve gegevens onderbouwen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van het college ongegrond, omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn meerkosten hoger waren dan het normbedrag. In hoger beroep herhaalde appellant zijn stelling, maar leverde wederom geen bewijs.
De Raad oordeelde dat het college terecht mocht afgaan op het GGD-advies, dat zorgvuldig en deugdelijk was opgesteld en gebaseerd op een medisch onderzoek uit 2014. Zonder aanwijzingen van wijziging in de medische situatie mocht het college het advies blijven volgen.
Omdat appellant geen objectieve en controleerbare gegevens had verstrekt die een hogere toekenning rechtvaardigen, bevestigde de Raad het besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het college tot toekenning van €230,- bijzondere bijstand wordt bevestigd.