ECLI:NL:CRVB:2019:1229
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen herleving recht op AOW-toeslag na beëindiging partnerinkomen
Appellant ontving vanaf 27 augustus 2014 een AOW-pensioen met een gekorte toeslag vanwege het inkomen van zijn partner, dat bestond uit een WW-uitkering en een wachtgeldaanvulling. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kwalificeerde deze uitkeringen als inkomen uit arbeid en herzag de toeslag met terugwerkende kracht, waarna zij een terugvordering instelde.
Appellant maakte bezwaar en gaf aan dat hij de Svb altijd juist had geïnformeerd en dat zijn partner vanaf 1 augustus 2016 geen inkomen meer had, waardoor hij meende recht te hebben op een volledige toeslag. De Svb verklaarde het bezwaar deels gegrond door af te zien van terugwerkende herziening, maar handhaafde het oordeel dat vanaf april 2016 geen recht op toeslag bestond en dat het recht niet herleeft na het wegvallen van het inkomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant nooit recht had op toeslag vanwege het partnerinkomen en dat het recht niet herleeft. In hoger beroep stelde appellant dat zijn partner de WW-uitkering zou hebben geweigerd als de Svb correct had beoordeeld. De Raad oordeelde dat het recht op toeslag niet herleeft omdat geen sprake is van een incidentele inkomensstijging volgens artikel 8 lid 3 AOW Pro, en dat de keuze van de partner geen verband houdt met de besluitvorming.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het recht op toeslag herleeft niet na het wegvallen van het partnerinkomen.