Betrokkene ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het college stelde na onderzoek vast dat zij en appellant een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden. Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug. De rechtbank gaf deels appellant en betrokkene gelijk, maar stelde ook dat appellant niet voldoende hoofdverblijf had op de adressen.
In hoger beroep stelde appellant dat er onvoldoende feitelijke grondslag was voor gezamenlijke huishouding, terwijl het college het tegendeel betoogde. De Raad beoordeelde uitgebreid verklaringen van partijen, getuigen en politiegegevens, en concludeerde dat appellant vanaf 2011 zijn hoofdverblijf had op de betrokken adressen.
De Raad oordeelde dat de bijstand terecht was ingetrokken en teruggevorderd, bevestigde de uitspraak over appellant en vernietigde de uitspraak over betrokkene. Het beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard en de terugvordering van € 66.526,83 bleef in stand.