ECLI:NL:CRVB:2019:1243
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV over beëindiging recht op ziekengeld na eerstejaarsbeoordeling
Appellante, voormalig buschauffeur, meldde zich op 17 november 2014 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV kende haar vanaf 16 februari 2015 een Ziektewetuitkering toe. Na een eerstejaarsbeoordeling op 9 november 2015 stelde een verzekeringsarts beperkingen vast en een arbeidsdeskundige selecteerde passende functies. Het UWV besloot op 12 november 2015 dat appellante geen recht meer had op ziekengeld omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 20 juli 2016 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde haar beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar medische beperkingen waren onderschat en zij de voorgestelde functies niet kon verrichten. Het UWV handhaafde het besluit.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en goed gemotiveerd was, waarbij de diagnose stemmingsstoornis NAO en somatoforme stoornis NAO werd gehanteerd. De door appellante ingebrachte medische informatie betrof niet de datum van beoordeling en kon haar standpunt niet ondersteunen. Ook de arbeidsdeskundige gaf een gedegen reactie op haar bezwaren over de geselecteerde functies.
De Raad concludeerde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat appellante geschikt was voor de functies en dat het besluit terecht was genomen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot beëindiging van het recht op ziekengeld wordt bevestigd.