ECLI:NL:CRVB:2019:1260
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV wegens gebrekkige motivering en opdracht tot nieuwe beslissing
In deze zaak staat centraal of het UWV terecht het beroep tegen het besluit van 27 februari 2015 ongegrond heeft verklaard. Het UWV had het standpunt dat appellante vanaf 2 oktober 2014 geen recht had op een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De Raad stelde in een eerdere tussenuitspraak vast dat het besluit gebrekkig was voorbereid en gemotiveerd en gaf het UWV opdracht dit te herstellen.
Ter uitvoering van deze tussenuitspraak heeft het UWV nadere rapporten van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige ingediend, waarin extra beperkingen werden opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Desondanks handhaafde het UWV het bestreden besluit. Appellante voerde aan dat haar psychische beperkingen onderschat waren en dat zij niet kon beoordelen of zij de nieuw geselecteerde functies kon uitoefenen gezien haar beperkingen.
De Raad oordeelt dat het UWV niet op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak, omdat het geen informatie heeft ingewonnen bij de behandelend psycholoog over de psychische gezondheidstoestand op de datum in geding. Hierdoor is het zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek niet hersteld. Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het UWV opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen, maar het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante en dient het griffierecht te vergoeden. Tegen de nieuwe beslissing op bezwaar kan alleen bij de Raad beroep worden ingesteld.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het UWV opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.