ECLI:NL:CRVB:2019:1261
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging medische grondslag WIA-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als administratief medewerkster, ontving vanaf 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, met een arbeidsongeschiktheidsgraad van circa 46,95%. Na een herbeoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige in 2016 stelde het UWV dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waardoor de uitkering werd beëindigd. Appellante maakte bezwaar en beroep, waarbij aanvullende beperkingen werden erkend, maar de mate van arbeidsongeschiktheid bleef onder de 35%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar lichamelijke en psychische klachten, waaronder een angststoornis en extreme vermoeidheid, onvoldoende waren meegewogen. Zij verwees naar een protocol Angststoornissen en een latere beoordeling uit 2017 met zwaardere beperkingen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische grondslag van het bestreden besluit deugdelijk is en dat met de klachten van appellante voldoende rekening is gehouden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had de beperkingen adequaat aangepast en het protocol werd slechts als hulpmiddel gebruikt. De latere beperkingen uit 2017 waren niet relevant voor de datum in geding. De geselecteerde functies waren medisch geschikt en overschreden de belastbaarheid van appellante niet.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV wordt bevestigd.