ECLI:NL:CRVB:2019:1264
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing UWV over arbeidsongeschiktheid en passende functies WIA-uitkering
Appellant, een voormalig timmerman, meldde zich op 1 mei 2013 ziek vanwege lichamelijke klachten. Na medisch onderzoek door een verzekeringsarts werd vastgesteld dat appellant beperkt was en geschikt voor lichtere, gedoseerde werkzaamheden. Op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 maart 2015 stelde het UWV vast dat appellant recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 46% per 29 april 2015.
Zowel appellant als zijn werkgever maakten bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde deze bezwaren ongegrond op 31 augustus 2015. De verzekeringsarts bezwaar en beroep paste de FML aan op 24 juli 2015, waarbij de beperking voor samenwerken verviel maar een beperking op klimmen werd toegevoegd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep concludeerde dat de eerder geselecteerde functies passend bleven.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant tegen het UWV-besluit ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de brief van de reumatoloog onvoldoende medische onderbouwing bood om de FML aan te passen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen werden onderschat en dat de geselecteerde functies niet geschikt waren, maar herhaalde daarmee zijn eerdere gronden.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd dat appellant beperkt is overeenkomstig de aangepaste FML en dat de geselecteerde functies passend zijn. Er zijn geen nieuwe medische gegevens aangevoerd die twijfel zaaien over de beperkingen. Het hoger beroep en het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.