ECLI:NL:CRVB:2019:1268
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig schoonmaker, meldde zich ziek met knie- en rugklachten en ontving een WGA-uitkering. Het UWV herbeoordeelde zijn arbeidsongeschiktheid na een verzoek van de werkgever en stelde vast dat appellant niet volledig arbeidsongeschikt is, met beperkingen voor lichte werkzaamheden. De WGA-uitkering werd daarom beëindigd.
Appellant maakte bezwaar en voerde psychische klachten, anemie en een schildkliercyste aan als nieuwe medische feiten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangescherpt, maar concludeerde dat de beperkingen niet tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid leiden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de medische beoordeling onvoldoende rekening hield met zijn anemie en schildkliercyste. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en het medisch onderzoek, mede omdat appellant geen nieuwe medische onderbouwing aanleverde. De Raad bevestigde dat appellant de geselecteerde voorbeeldfuncties kan verrichten en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.