ECLI:NL:CRVB:2019:1273
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering na eerstejaars beoordeling wegens voldoende verdiencapaciteit
Appellant maakte bezwaar tegen de beëindiging van zijn Ziektewet-uitkering na een eerstejaars ZW-beoordeling, waarbij het UWV had vastgesteld dat hij in staat was meer dan 65% van zijn oorspronkelijke loon te verdienen. Hij voerde aan dat zijn lichamelijke en psychische beperkingen werden onderschat en bracht een medisch rapport in.
De rechtbank benoemde een onafhankelijke deskundige die een onderzoek verrichtte en concludeerde dat de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend waren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de deskundige zijn beperkingen niet volledig had onderkend en verzocht om aanhouding vanwege een nader medisch onderzoek in een letselschadezaak. De Raad wees dit verzoek af wegens onvoldoende onderbouwing en bevestigde het oordeel van de deskundige, die een zorgvuldig en consistent onderzoek had verricht.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit een deugdelijke arbeidskundige onderbouwing heeft en dat er geen reden is om het rapport van de deskundige niet te volgen. Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek tot schadevergoeding wordt eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de ZW-uitkering bevestigd.