ECLI:NL:CRVB:2019:1289

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 april 2019
Publicatiedatum
12 april 2019
Zaaknummer
18/3695 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wubo
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op toekenning uitkering burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs oorlogsgeweld

Appellant, geboren in 1946, diende in maart 2017 een aanvraag in voor een uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Deze aanvraag werd door verweerder afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat appellant getroffen was door oorlogsgeweld. Na bezwaar handhaafde verweerder dit besluit.

Het beroep richt zich uitsluitend tegen de afwijzing van de gestelde mishandeling waarbij appellant met een mes of bajonet zou zijn gestoken en met kokend water is overgoten. De Raad toetste dit aan de wettelijke definitie van burger-oorlogsslachtoffer, die vereist dat het letsel is opgelopen tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of de aansluitende Bersiap-periode in voormalig Nederlands-Indië.

De Raad stelt vast dat een verklaring van appellant alleen niet voldoende is; er moeten aanvullende objectieve gegevens zijn die de gebeurtenis bevestigen. Verweerder heeft uitgebreid onderzoek gedaan, waaronder het opvragen van informatie bij diverse instanties en het verkrijgen van een verklaring van de broer van appellant. Deze verklaring is echter niet als objectief bewijs te beschouwen omdat de broer niet zelf getuige was.

Gezien het ontbreken van voldoende objectief bewijs kan niet worden vastgesteld dat appellant getroffen is door oorlogsgeweld binnen de betekenis van de Wubo. Het bestreden besluit blijft daarom in stand en het beroep wordt ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende objectief bewijs dat appellant getroffen is door oorlogsgeweld volgens de Wubo.

Uitspraak

18.3695 WUBO

Datum uitspraak: 4 april 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.J. Skála beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 juni 2018, kenmerk BZ011180365 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940‑1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Skála. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, geboren in 1946, heeft in maart 2017 een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wubo.
1.2.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 7 december 2017, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellant getroffen is door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. In dat verband heeft verweerder overwogen dat van de bedreiging en mishandeling door Indonesische TNI‑militairen, waarbij appellant ook met kokend water is overgoten, onvoldoende objectieve bevestiging is verkregen en dat daarnaast onvoldoende is bevestigd dat deze gebeurtenis heeft plaatsgevonden voor de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949. Verder is overwogen dat het door appellant getuige zijn van het ongeval van zijn oom niet kan worden beschouwd als een gebeurtenis in de zin van de Wubo en dat het meemaken van onlusten in Makassar niet valt onder de werking van de Wubo omdat deze na de soevereiniteitsoverdracht hebben plaatsgevonden.
2. Het beroep van appellant is uitsluitend gericht tegen het door verweerder niet aanvaarden van de gestelde mishandeling waarbij appellant met een mes of bajonet is gestoken en vervolgens met kokend water is overgoten.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wubo wordt – voor zover hier van belang – onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940‑1945 of gedurende de daaraan aansluitende periode van ongeregeldheden in het toenmalig Nederlands‑Indië (de zogenoemde Bersiap‑periode) als burger lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen ten gevolge van:
- met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;
- direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen van de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap‑periode;
- confrontatie met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap‑periode.
Wat betreft de oorlogsjaren in het voormalig Nederlands‑Indië heeft de Wubo betrekking op de periode tot aan de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949.
3.2.
Uit artikel 2 van Pro de Wubo volgt dat als eerste voorwaarde geldt dat de aanvrager (direct) betrokken is geweest bij oorlogsgeweld. Naar vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2237) kan een door een betrokkene genoemde gebeurtenis niet uitsluitend op grond van zijn of haar eigen verklaring als voldoende vaststaand worden aangemerkt. Een dergelijke verklaring moet worden ondersteund door aanvullende (objectieve) gegevens. Deze moeten bovendien betrekking hebben op de situatie van de betrokkene zelf en niet slechts op de algemene situatie ter plekke, waarin de gestelde gebeurtenissen zouden kunnen passen.
3.3.
Naar aanleiding van de aanvraag van appellant heeft verweerder uitgebreid onderzoek verricht. Zo is informatie opgevraagd bij het SAIP, het Nefis, het Nationaal Archief, zijn relatiedossiers geraadpleegd en is een verklaring verkregen van de broer van appellant.
3.4.
Op grond van de voorhanden gegevens heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat appellant getroffen is door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Los van de vragen in welke plaats en of de gestelde mishandeling voor de soevereiniteitsoverdracht van 27 december 1949 heeft plaatsgevonden, kan buiten de eigen verklaring van appellant, van de gestelde mishandeling geen bevestiging worden verkregen. In de verklaring van 21 september 2017 beschrijft de broer van appellant weliswaar de mishandeling, maar hij was er zelf niet bij. Hun moeder heeft hem verteld wat er was gebeurd. De verklaring van de broer kan om die reden niet gelden als een objectieve bevestiging van de gestelde gebeurtenis.
3.5.
Uit 3.4 volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2019.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) J. Smolders

NW