ECLI:NL:CRVB:2019:1289
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op toekenning uitkering burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs oorlogsgeweld
Appellant, geboren in 1946, diende in maart 2017 een aanvraag in voor een uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Deze aanvraag werd door verweerder afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat appellant getroffen was door oorlogsgeweld. Na bezwaar handhaafde verweerder dit besluit.
Het beroep richt zich uitsluitend tegen de afwijzing van de gestelde mishandeling waarbij appellant met een mes of bajonet zou zijn gestoken en met kokend water is overgoten. De Raad toetste dit aan de wettelijke definitie van burger-oorlogsslachtoffer, die vereist dat het letsel is opgelopen tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of de aansluitende Bersiap-periode in voormalig Nederlands-Indië.
De Raad stelt vast dat een verklaring van appellant alleen niet voldoende is; er moeten aanvullende objectieve gegevens zijn die de gebeurtenis bevestigen. Verweerder heeft uitgebreid onderzoek gedaan, waaronder het opvragen van informatie bij diverse instanties en het verkrijgen van een verklaring van de broer van appellant. Deze verklaring is echter niet als objectief bewijs te beschouwen omdat de broer niet zelf getuige was.
Gezien het ontbreken van voldoende objectief bewijs kan niet worden vastgesteld dat appellant getroffen is door oorlogsgeweld binnen de betekenis van de Wubo. Het bestreden besluit blijft daarom in stand en het beroep wordt ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende objectief bewijs dat appellant getroffen is door oorlogsgeweld volgens de Wubo.