ECLI:NL:CRVB:2017:2237
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burgeroorlogsslachtoffer op grond van onvoldoende directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1939 in Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als burgeroorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Verweerder wees dit verzoek in 2004 af en handhaafde dit na bezwaar, omdat niet was aangetoond dat appellante direct betrokken was bij oorlogsgeweld zoals bedoeld in de Wubo.
In 2015 diende appellante een nieuw verzoek in, dat eveneens werd afgewezen omdat de aangeleverde verklaringen te algemeen waren en geen nieuwe feiten of objectieve bevestiging van directe betrokkenheid bevatten. De verklaring van het Hoofd Maatschappelijke Zorg bood geen bevestiging van evacuatie onder levensbedreigende omstandigheden.
De Raad oordeelt dat het onderzoek van verweerder zorgvuldig was en dat de eigen verklaringen van appellante onvoldoende concreet zijn om erkenning te rechtvaardigen. Het zien van lijken wordt als algemene oorlogsomstandigheid beschouwd en valt niet onder de Wubo. De erkenning onder de ruimere Algemene Oorlogsongevallenregeling leidt niet tot een ander oordeel.
Het beroep wordt ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om erkenning als burgeroorlogsslachtoffer wordt afgewezen.