ECLI:NL:CRVB:2019:1299
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens ontbreken rechtmatig verblijf
Appellante verzocht om bijstand, maar het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees de aanvraag af omdat zij geen verblijfsrecht had op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De staatssecretaris had haar verblijfsvergunning ingetrokken met ingang van 8 april 2014. De rechtbank had eerder het beroep tegen het bezwaarbesluit van de staatssecretaris gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het collegebesluit tot afwijzing van de bijstandsaanvraag ongegrond, omdat appellante na de beslissing op bezwaar van de staatssecretaris geen rechtmatig verblijf meer had. Appellante stelde dat zij rechtmatig verbleef in de periode van 10 tot en met 14 maart 2016, maar dit verweer werd verworpen omdat voor rechtmatig verblijf tijdens beroep tegen de bezwaarbeslissing een rechterlijke uitspraak vereist is, bijvoorbeeld een voorlopige voorziening die uitzetting voorkomt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken door de enkelvoudige kamer.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen omdat appellante geen rechtmatig verblijf had na de bezwaarbeslissing van de staatssecretaris.