ECLI:NL:CRVB:2019:1305
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor huurschuld wegens ontbreken zeer dringende redenen
Appellant vroeg bijzondere bijstand aan op grond van de Participatiewet voor de kosten van een huurschuld. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvraag af, stellende dat bijzondere bijstand voor schulden niet wordt verleend tenzij er zeer dringende redenen zijn. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, omdat appellant zelf ervoor had gekozen om tien maanden geen huur te betalen en het ontstaan van de huurschuld het gevolg was van eigen keuzes.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stelling dat bij dreigende huisuitzetting sprake kan zijn van zeer dringende redenen. De Raad overwoog echter dat in de relevante periode van 17 juli tot 7 augustus 2017 geen sprake was van een dreigende huisuitzetting, aangezien de kantonrechter pas op 22 december 2017 een vonnis uitsprak over de huurachterstand.
De Raad vond de motivering van de rechtbank volledig en sluit zich aan bij het oordeel dat geen bijzondere bijstand kan worden toegekend. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor de huurschuld wordt bevestigd wegens het ontbreken van zeer dringende redenen.