Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:1313

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 april 2019
Publicatiedatum
15 april 2019
Zaaknummer
19/695 WIA-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:104 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken financieel spoedeisend belang

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland over de herziening van zijn dagloon in het kader van een IVA-uitkering. Hij verzocht om een voorlopige voorziening met het oog op een voorschot op schadevergoeding en een hoger dagloon vanaf 2009.

De voorzieningenrechter beoordeelde dat het verzoek niet spoedeisend was, mede omdat de hoofdzaak op korte termijn zou worden behandeld. Uit de financiële gegevens van verzoeker bleek geen acute noodsituatie, ondanks een beperkte restinkomen na vaste lasten en een betalingsachterstand bij de zorgverzekeraar.

Op grond van vaste rechtspraak is een voorlopige voorziening niet bedoeld om de hoofdzaak te bespoedigen. Daarom werd het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen zonder zitting. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een financieel spoedeisend belang.

Uitspraak

19/695 WIA-VV
Datum uitspraak: 1 april 2019
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord‑Nederland van 9 mei 2018, 17/573 (aangevallen uitspraak). Dit hoger beroep (hoofdzaak) is bij de Raad bekend onder nummer 18/3237 WIA.
Op 7 februari 2019 heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek heeft hij aangevuld op 18 februari 2019, 8 maart 2019 en 23 maart 2019.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van artikel 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Verzoeker heeft sinds 9 juni 2009 recht op een IVA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Er is al jarenlang een geschil van verzoeker en het Uwv over de hoogte van het dagloon. Verzoeker heeft het Uwv verschillende malen om herziening van het dagloon gevraagd. Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 3 januari 2018 (bestreden besluit) het dagloon opnieuw herzien.
3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. Verzoeker heeft aangevoerd dat het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is gelegen in het feit dat hij niet kan rondkomen van de IVA-uitkering. Hij heeft recht op een hoger dagloon vanaf 9 juni 2009. Hij heeft verder aangevoerd dat hij schade heeft geleden door onrechtmatige daden van het Uwv. Doel van de voorlopige voorziening is mede een voorschot van € 15.000,- op de nog vast te stellen schade.
5. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraken van 2 december 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AO0764 en van 21 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4228) is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen niet bedoeld om door middel van zogenoemde kortsluiting de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.
6. De behandeling ter zitting van de in het procesverloop genoemde hoofdzaak zal op korte termijn, naar verwachting op 29 mei 2019, plaatsvinden. Ter beoordeling is of het gestelde spoedeisende belang van dien aard is dat het oordeel in de hoofdzaak niet kan worden afgewacht.
7. In artikel 8:83, derde lid, van de Awb is bepaald dat de voorzieningenrechter zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen uitspraak kan doen als – onder meer – het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is.
8. Verzoeker is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van een financieel spoedeisend belang bij het treffen van de door hem verzochte voorlopige voorziening. Uit het door verzoeker ingezonden overzicht van inkomsten en uitgaven blijkt dat zijn inkomsten € 1.614,- per maand bedragen. Hij heeft weliswaar gesteld dat na aftrek van vaste lasten slechts een bedrag van € 204,77 per maand resteert, maar daaruit blijkt nog niet dat sprake is van een financiële noodsituatie. Zo’n situatie blijkt evenmin uit het e-mailbericht van 22 maart 2019 van de zorgverzekeraar over een betalingsachterstand.
9. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat er bij het ontbreken van spoedeisend belang geen noodzaak is voor de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen is kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder zitting.
10. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2019.
(getekend) M. Greebe
(getekend) P. Boer

VC