ECLI:NL:CRVB:2019:1329
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag scootmobiel wegens ontbreken medische noodzaak
Appellant, geboren in 1955, diende een aanvraag in voor een scootmobiel op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 vanwege klachten aan rug, benen en voeten en stressklachten. Het college vroeg de GGD Haaglanden om medisch advies, waarbij de medisch adviseur concludeerde dat appellant niet wezenlijk beperkt is in zijn loopmogelijkheden en dat een scootmobiel vooralsnog invaliderend zou zijn.
Het college wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond, waarbij het medisch advies van de GGD als grondslag diende. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde vast dat het advies objectief, inzichtelijk en zorgvuldig was opgesteld, zonder dat sprake was van verouderde medische informatie of miscommunicatie.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het advies niet op recente gegevens was gebaseerd en dat er sprake was van een taalbarrière tijdens het onderzoek. De Raad verwierp deze gronden, benadrukkend dat het advies was gebaseerd op lichamelijk onderzoek, bestudering van het looppatroon en medische informatie, en dat er geen nieuwe medische gegevens waren die aanleiding gaven tot twijfel.
De Raad concludeerde dat het college het advies terecht aan de besluitvorming ten grondslag legde en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag voor een scootmobiel is terecht afgewezen vanwege het ontbreken van medische noodzaak.