ECLI:NL:CRVB:2019:1342
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging correcte vaststelling toeslag op grond van de Toeslagenwet
Appellant had een toeslag aangevraagd op grond van de Toeslagenwet (TW) vanwege beëindiging van zijn WW-uitkering. Het UWV kende hem een toeslag toe van €4,36 bruto per dag, gebaseerd op het verschil tussen het normbedrag voor een gehuwde (€70,10) en zijn bruto WW-uitkering per dag (€65,74).
Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte van deze toeslag, maar het UWV verklaarde dit bezwaar ongegrond. De rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigde dit besluit en overwoog dat de toeslag en de rekenmethode dwingend zijn voorgeschreven in de TW. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de toeslag correct was vastgesteld volgens de wettelijke bepalingen van de TW. Omdat het inkomen van appellant lager was dan het normbedrag, was het verschil van €4,36 juist als toeslag toegekend. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter E. Dijt, in aanwezigheid van griffier R.P.W. Jongbloed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de toeslag is correct vastgesteld.