Uitspraak
17.3593 WIA
OVERWEGINGEN
4.4.De overwegingen onder 4.1 tot en met 4.3 leiden tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, laatstelijk werkzaam als verkoopmedewerkster, meldde zich in november 2013 ziek wegens psychische klachten. Het UWV stelde in oktober 2015 vast dat zij recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 38,66%. Appellante maakte bezwaar omdat zij meende geschikt te zijn voor haar eigen werk, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellante geen medische gegevens had overgelegd die haar geschiktheid voor haar werk ondersteunden. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar ook de Centrale Raad van Beroep vond het medisch onderzoek zorgvuldig en concludeerde dat appellante geen nieuwe medische informatie had aangeleverd.
De Raad benadrukte dat appellante zelf de uitkering had aangevraagd en dat het UWV deze aanvraag zorgvuldig had beoordeeld, rekening houdend met haar borderline persoonlijkheidsstoornis en depressie. Ook werd een urenbeperking bevestigd vanwege haar behandeling. De geschiktheid voor andere functies was eveneens afdoende gemotiveerd. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat appellante niet geschikt is voor haar eigen werk.