ECLI:NL:CRVB:2019:136
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Studiefinanciering terecht herzien naar thuiswonende norm en teruggevorderd
Appellant stond ingeschreven in de basisregistratie personen (brp) op een adres, maar ontving studiefinanciering berekend naar de norm voor uitwonende studenten vanaf september 2015. De minister liet een onderzoek uitvoeren waarbij controleurs een huisbezoek brachten aan het brp-adres. Uit het onderzoek bleek dat appellant daar niet daadwerkelijk woonde, wat werd ondersteund door een verklaring van de hoofdbewoonster en het ontbreken van persoonlijke spullen van appellant in de woning.
Op basis hiervan herzag de minister de studiefinanciering met terugwerkende kracht naar de norm voor thuiswonende studenten en vorderde een bedrag van €3.300,76 terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze herziening ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de minister voldoende feitelijke grondslag had voor zijn besluit.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onvolledig en onzorgvuldig was en dat de minister niet aan de bewijslast had voldaan. Ook stelde hij dat de hardheidsclausule ten onrechte niet was toegepast. De Raad concludeerde dat appellant geen nieuwe gronden had aangevoerd en onderschreef de motivering van de rechtbank. De verklaring van appellant zelf bevestigde bovendien dat hij slechts enkele dagen per week op het brp-adres verbleef en de rest van de tijd bij zijn vriendin woonde.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van studiefinanciering naar thuiswonende norm en de terugvordering van €3.300,76.