ECLI:NL:CRVB:2019:1361
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens niet verschijnen op gesprek
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd naar aanleiding van een anonieme tip over een verblijf en werkperiode in Aruba door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam uitgenodigd voor meerdere gesprekken. Appellant verscheen niet op de gesprekken van 7, 13 en 16 juni 2016 en leverde de gevraagde bankafschriften niet persoonlijk aan. De vader van appellant bood aan deze bankafschriften te overleggen, maar het college maakte hier geen gebruik van omdat het van belang was dat appellant zelf verscheen om zijn verblijfplaats vast te stellen.
Het college schortte vervolgens de bijstand op en trok deze met ingang van 13 juni 2016 in op grond van artikel 54 van Pro de Participatiewet. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het college verklaarde deze ongegrond. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit oordeel en ook in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd het beroep ongegrond verklaard.
De Raad oordeelde dat appellant het niet verschijnen op de gesprekken aan zichzelf te wijten had, dat de termijn om het verzuim te herstellen voldoende was en dat het college bevoegd was de bijstand op te schorten en in te trekken. Er was geen sprake van een ander doel dan waarvoor de bevoegdheden waren gegeven. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens het niet verschijnen op verplichte gesprekken wordt bevestigd.