ECLI:NL:CRVB:2019:1367
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van rechtbankuitspraak inzake WIA-uitkering en arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als medewerkster burgerzaken, meldde zich ziek per 31 december 2010 en ontving vanaf 28 december 2012 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA met een arbeidsongeschiktheid van 40,66%. Na een verslechtering van haar gezondheid in 2015 werd de uitkering omgezet in een WGA-vervolguitkering met een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Na bezwaar werd dit verhoogd naar 55 tot 65%.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, oordelend dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante objectief medisch waren onderbouwd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de verzekeringsarts een onjuist beeld had van haar gezondheid en dat de geselecteerde functies niet passend waren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de gronden in hoger beroep een herhaling waren van eerdere bezwaren en onderschreef de overwegingen van de rechtbank. De Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 april 2015 hield voldoende rekening met haar fysieke klachten door handartrose en fibromyalgie. De aanvullende medische informatie bood geen aanleiding tot een ander oordeel. De Raad bevestigde dat appellante geschikt is voor de geselecteerde functies en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.