ECLI:NL:CRVB:2019:1384
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- M. Hillen
- J.L. Boxum
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet gemelde hennepknipperij in woning
Betrokkene ontvangt sinds 2010 bijstand en werd geconfronteerd met een intrekking van de bijstand over mei 2016 nadat bij een politie-inval hennepplanten en een hennepknipperij in haar woning werden aangetroffen. Het dagelijks bestuur stelde dat betrokkene haar inlichtingenverplichting had geschonden door deze feiten niet te melden.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, omdat onvoldoende was aangetoond dat zij wist van of betrokken was bij de hennepknipperij. Het dagelijks bestuur ging hiertegen in hoger beroep. De Raad oordeelde dat er een vooronderstelling geldt dat degene in wiens woning een hennepknipperij wordt aangetroffen mede-exploitant is, tenzij dit wordt weerlegd. Betrokkene had dit vermoeden niet voldoende ontzenuwd.
Daarnaast werd het beroep op het sepot van de officier van justitie beoordeeld. De Raad stelde dat het bestuursrecht een minder streng bewijsrecht kent dan het strafrecht en dat het sepot wegens gebrek aan bewijs niet betekent dat het bestuursrechtelijke besluit onrechtmatig is. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de intrekking van de bijstand standhoudt.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand over mei 2016 blijft gehandhaafd.