ECLI:NL:CRVB:2019:139
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens termijnoverschrijding studiefinanciering
Appellante maakte bezwaar tegen besluiten van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap waarin haar het recht op studiefinanciering werd ontzegd vanwege het niet voldoen aan de nationaliteitseis. Na gedeeltelijke toekenning van studiefinanciering in een besluit van 8 maart 2016, werd het bezwaar tegen het besluit van 7 december 2015 geacht te zijn behandeld in datzelfde besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. Appellante stelde dat de termijnoverschrijding wel verschoonbaar was vanwege onduidelijkheid door een brief van de minister, en dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat het bezwaar reeds was behandeld.
De Raad oordeelde dat het besluit van 8 maart 2016 inderdaad ook het bezwaar tegen het besluit van 7 december 2015 omvatte, mede omdat beide besluiten dezelfde afwijzingsgrond hadden en de bezwaarprocedures samenhangend waren. De Raad vond dat appellante, bijgestaan door een advocaat, dit had moeten onderkennen en dat de brief van 31 oktober 2016 geen misleiding opleverde.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep bevestigd wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.