Appellante, erfgename van betrokkene, had hoger beroep ingesteld tegen beslissingen van het UWV omtrent de toekenning van ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na meerdere gewijzigde beslissingen op bezwaar door het UWV, waarbij betrokkene alsnog ziekengeld werd toegekend, is betrokkene overleden. Appellante zette de beroepen voort namens betrokkene.
Tijdens de zitting op 4 april 2019 heeft appellante het hoger beroep ingetrokken omdat met de nieuwe beslissingen tegemoet was gekomen aan haar vorderingen. De Centrale Raad van Beroep heeft het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante, bestaande uit kosten voor verleende rechtsbijstand en een geraadpleegde deskundige, alsmede tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Daarnaast is het UWV veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over de Ziektewet-uitkering, conform de wijze zoals eerder door de Raad is vastgesteld. De uitspraak is gedaan door rechter D. Hardonk-Prins en griffier C.I. Heijkoop op 25 april 2019.