ECLI:NL:CRVB:2019:1430
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verhoging arbeidsongeschiktheid na mishandeling en medische onderzoeken
Appellante ontvangt sinds 2002 een WAO-uitkering en was sinds 2007 arbeidsongeschikt in de mate van 15-25%. Na een mishandeling in 2010 meldde zij een toename van haar arbeidsongeschiktheid, waarop het UWV in 2013 de mate verhoogde naar 25-35%. Appellante stelde dat zij volledig arbeidsongeschikt was vanwege onder meer whiplashsyndroom en de ziekte van Ménière.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de verzekeringsartsen van het UWV zorgvuldig te werk waren gegaan en de beperkingen adequaat in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) waren verwerkt. In hoger beroep voerde appellante medische klachten en operaties aan die volgens haar een hogere mate van arbeidsongeschiktheid rechtvaardigden.
De Raad liet een onafhankelijke KNO-arts rapporteren, die geen ernstigere diagnoses vond dan reeds bekend waren en waar rekening mee was gehouden bij het opstellen van de FML. De Raad volgde dit deskundigenrapport en concludeerde dat de beperkingen niet onderschat waren. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.