Appellante, die in 2006 haar HBO-diploma fysiotherapie behaalde, raakte in 2007 arbeidsongeschikt door een verkeersongeval en ontving sindsdien een Wajong-uitkering. Het UWV stelde in 2015 vast dat haar uitkering moest worden aangepast vanwege inkomsten uit arbeid en vorderde een bedrag terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond, omdat het aanvangssalaris van een fysiotherapeut volgens het Schattingsbesluit niet ten minste anderhalf maal het wettelijk minimumloon bedraagt. Appellante stelde in hoger beroep dat zij wel aan deze voorwaarde voldoet en overhandigde diverse documenten ter onderbouwing.
De Raad oordeelt dat de door appellante overgelegde informatie onvoldoende is om het oordeel van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep te weerleggen. De CAO, individuele arbeidsovereenkomsten en websites tonen geen eenduidig hoger aanvangssalaris aan. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
De Centrale Raad van Beroep wijst het hoger beroep af en bevestigt de terugvordering van de Wajong-uitkering. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.