ECLI:NL:CRVB:2019:1441
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op AOW-pensioen naar gehuwdennorm bij gezamenlijke huishouding met broer
Appellante had een aanvraag ingediend voor AOW-pensioen naar gehuwdennorm omdat zij samen met haar broer (X) op hetzelfde adres woonde. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende dit pensioen toe op grond van een gezamenlijke huishouding. Appellante betwistte dit en stelde dat X haar onderhuurder was, waardoor geen sprake zou zijn van wederzijdse zorg.
De rechtbank vernietigde het besluit van de Svb wegens motiveringsgebrek maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat appellante en X hun hoofdverblijf deelden en dat er sprake was van wederzijdse zorg die verder ging dan een zuivere huurrelatie. Dit bleek onder meer uit gezamenlijke huishoudelijke taken, financiële bijdragen en langdurige verbondenheid.
De Raad overwoog dat de rechtbank terecht zelf in de zaak heeft voorzien op grond van artikel 8:41a Awb, waardoor geen nader onderzoek door de Svb noodzakelijk was. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep afgewezen; sprake van gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg, recht op AOW-pensioen naar gehuwdennorm bevestigd.