ECLI:NL:CRVB:2019:1442

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 april 2019
Publicatiedatum
29 april 2019
Zaaknummer
18/2766 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 ParticipatiewetArt. 4:6 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek terugkomen op beëindiging bijstandsuitkering wegens detentie

Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet, maar deze werd per 29 november 2016 beëindigd omdat hij gedetineerd was. Het college verklaarde het bezwaar tegen deze beëindiging niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Appellant verzocht vervolgens om terug te komen op het besluit, maar dit verzoek werd afgewezen omdat er geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De rechtbank Roermond oordeelde dat de door appellant aangevoerde omstandigheden, waaronder zijn detentie en psychische klachten, niet nieuw waren en dat het niet aan de bestuursrechter is om de rechtmatigheid van de detentie te beoordelen. Ook was er geen strijd met het zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn eerdere gronden, maar de Centrale Raad van Beroep vond geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op het besluit tot beëindiging van de bijstand wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten.

Uitspraak

18 2766 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 9 april 2019
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van
5 april 2018, 17/3946 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.F.E. Sprenkels, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 23 december 2016 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 29 november 2016 beëindigd (lees: ingetrokken), omdat hij vanaf die datum gedetineerd was. Het college heeft hierbij toepassing gegeven aan artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW. Bij besluit van 29 juni 2017 heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 december 2016 niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet verschoonbare termijnoverschrijding. Appellant heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen het besluit van 29 juni 2017.
1.2.
Bij brief van 3 mei 2017 heeft appellant het college verzocht om terug te komen van het besluit van 23 december 2016.
1.3.
Bij besluit van 6 juni 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 oktober 2017 (bestreden besluit), heeft het college onder verwijzing naar artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit verzoek afgewezen op de grond dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten en omstandigheden. Het feit dat appellant van mening is dat hij onterecht in hechtenis heeft gezeten omdat hij wegens arbeidsongeschiktheid zijn werkstraf niet kon uitvoeren, kan niet als nieuw feit worden aangemerkt. Van deze omstandigheid was namelijk al sprake bij het nemen van het besluit van 23 december 2016.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat wat appellant heeft aangevoerd, geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. De reden van zijn detentie en zijn psychische klachten zijn omstandigheden die al eerder bij appellant bekend waren. Ook de door appellant gestelde bijzondere omstandigheden zijn geen omstandigheden die pas bij appellant bekend waren na het nemen van het besluit van 23 december 2016. Ook kan niet worden gezegd dat de weigering om terug te komen van het besluit van 23 december 2016 evident onredelijk is. Het is niet aan de bestuursrechter om zich uit te laten over de rechtmatigheid van de detentie. De PW schrijft uitdrukkelijk voor dat in geval van detentie geen recht bestaat op bijstand. Tot slot is de rechtbank niet gebleken van strijd met het zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel.
3. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2019.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) L. Hagendijk
md