ECLI:NL:CRVB:2019:1444
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling dienverplichting en bevordering militair na opleidingsvertraging
Appellant, werkzaam bij de Koninklijke Luchtmacht sinds 2008, ondervond aanzienlijke vertraging in zijn opleiding tot F-16 vlieger door bezuinigingen en reducties binnen Defensie. Tijdens de opleiding werd hij tijdelijk ingezet in andere functies. Na beëindiging van de F-16 opleiding volgde appellant een opleiding tot transportvlieger, die hij succesvol afrondde in april 2015.
Appellant verzocht om verkorting van de dienverplichting en vervroegde bevordering tot tweede luitenant per januari 2012, wat werd afgewezen door de staatssecretaris. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze beslissing in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de dienverplichting van tien jaar na voltooiing van de opleiding geldt, en dat de vertraging niet leidt tot verkorting hiervan. De tijdelijke werkzaamheden tijdens de opleidingsvertraging tellen niet mee voor de dienverplichting omdat appellant toen nog geen gecertificeerd vlieger was. De bevordering tot tweede luitenant volgt de datum van plaatsing op de eerste functie van vlieger na opleiding, conform artikel 24k AMAR.
De Raad achtte het besluit van de staatssecretaris niet onredelijk en wees het verzoek van appellant af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de dienverplichting en bevorderingsdatum blijven ongewijzigd.