ECLI:NL:CRVB:2019:1456
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk na intrekking bezwaar en toekenning proceskosten en schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Appellante stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV inzake een WIA-uitkering. Het UWV kwam na het instellen van beroep en hoger beroep de bezwaren van appellante volledig tegemoet door een gewijzigde beslissing op bezwaar. Hierdoor bestond feitelijk geen geschil meer, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten voor verleende rechtsbijstand in bezwaar, beroep en hoger beroep, begroot op in totaal €3.161,-, inclusief reiskosten en griffierecht. Tevens werd het UWV veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over de nabetaling van de uitkering, conform eerdere jurisprudentie.
Appellante vorderde daarnaast schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad oordeelde dat de procedure van ruim vier jaar en negen maanden de redelijke termijn met negen maanden overschreed, wat leidde tot een immateriële schadevergoeding van €1.000,-. Deze overschrijding werd volledig aan de bestuursrechter toegerekend, waardoor de Staat werd veroordeeld tot betaling van deze schadevergoeding.
De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 1 mei 2019, waarbij partijen niet verschenen waren.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard; het UWV is veroordeeld tot proceskosten en wettelijke rente, en de Staat tot schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.