Betrokkene ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op een adres waar een onderzoek naar de woon- en leefsituatie werd gestart vanwege een landelijke aanpak adreskwaliteit. Na meerdere pogingen tot contact en huisbezoeken, waarbij betrokkene niet werd aangetroffen, werd het recht op bijstand opgeschort en uiteindelijk ingetrokken wegens het niet verschijnen op gesprekken.
Betrokkene en zijn bewindvoerder hadden het college verzocht alle post naar de bewindvoerder te sturen vanwege postproblemen veroorzaakt door medebewoners. Desondanks werden uitnodigingen voor gesprekken in de brievenbus van betrokkene gedeponeerd, waardoor betrokkene deze niet tijdig ontving en niet kon verschijnen.
De rechtbank vernietigde het intrekkingsbesluit omdat betrokkene geen verwijt kon worden gemaakt. Het college ging in hoger beroep, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad oordeelde dat het college onvoldoende rekening hield met het verzoek om post naar de bewindvoerder te sturen en dat het niet verschijnen op het gesprek niet verwijtbaar was. Het college werd veroordeeld in de proceskosten.