ECLI:NL:CRVB:2019:1482

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 april 2019
Publicatiedatum
2 mei 2019
Zaaknummer
18/4413 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55o Besluit algemene rechtspositie politieRegeling landelijk sociaal statuut politie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging plaatsingsbesluit herplaatsingskandidaat politie ondanks voorkeur voor andere functie

Appellant, werkzaam als Bedrijfsvoeringspecialist D binnen de politie, maakte bezwaar tegen zijn plaatsing in een functie die volgens hem een reistijd van meer dan drie uur per dag met zich meebracht. Hij gaf de voorkeur aan een Operationeel Specialist E functie, die echter een executieve status vereist die hij niet bezit.

De korpschef handhaafde het besluit appellant te herplaatsen in de functie Bedrijfsvoeringspecialist D, conform de plaatsingsvolgorde en het landelijke sociaal statuut politie. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.

De Raad oordeelde dat de plaatsingsvolgorde bindend is en dat het kenbaar maken van een voorkeursfunctie geen recht op die functie geeft. Bovendien is de functie van Operationeel Specialist E niet passend voor appellant omdat hij niet over de vereiste executieve status beschikt.

Hierdoor faalt het primaire en subsidiaire beroep van appellant en blijft zijn plaatsing in de oorspronkelijke passende functie gehandhaafd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de plaatsing in de passende functie bevestigd.

Uitspraak

18.4413 AW

Datum uitspraak: 18 april 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
11 juli 2018, 17/2274 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de korpschef van politie (korpschef)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dammingh. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.H. Horst en mr. N.J. Mathura.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant was werkzaam in de (korps)functie van [functie] binnen de afdeling [afdeling] . Per 1 januari 2012 is de oorspronkelijke functie van appellant vastgesteld op de LFNP-functie van Bedrijfsvoeringspecialist D, schaal 12, met als plaats van tewerkstelling [gemeente 5]
1.2.
Appellant heeft voor de plaatsingsprocedure zijn belangstelling kenbaar gemaakt voor de volgende functies:
- Operationeel Specialist E, schaal 13, in het team [team 1] bij de eenheid
[eenheid 1] met als plaats van tewerkstelling [gemeente 1] ;
- Operationeel Specialist E, schaal 13, in het team [team 2] bij de [Eenheid] met als plaats van tewerkstelling [gemeente 2] ;
- Operationeel Specialist E, schaal 13, in het team [team 3] bij eenheid
[eenheid 2] met als plaats van tewerkstelling [gemeente 3] .
1.3.
De korpschef was voornemens appellant als functievolger te plaatsen in de functie van Bedrijfsvoeringspecialist D, schaal 12, bij de [Dienst] met als plaats van tewerkstelling [gemeente 4] . Naar aanleiding van de bedenkingen van appellant, gericht op een reistijd van meer dan drie uur per dag, heeft de korpschef bij besluit van 10 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 mei 2017 (bestreden besluit), en conform het advies van de plaatsingsadviescommissie (PAC) appellant met ingang van 1 juli 2016 aangewezen als herplaatsingskandidaat en hem gelijktijdig met ingang van diezelfde datum herplaatst in de functie Bedrijfsvoeringspecialist D, schaal 12, in de formatie van de eenheid [eenheid 1] , Staf, Bestuursondersteuning, Bestuursondersteuning met als plaats van tewerkstelling [gemeente 1] .
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.
3.1.
Voor een weergave van de van toepassing zijnde regelgeving en afspraken verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 21 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1851.
3.2.
Primair heeft appellant in hoger beroep opnieuw betoogd dat toepassing van de regels over de volgorde van plaatsing van herplaatsingskandidaten niet aan de orde is, nu er nog formatieruimte in de functie van Operationeel Specialist E beschikbaar is. Er bestaan daarom geen belemmeringen om appellant te plaatsen in de door hem geambieerde functie van Operationeel Specialist E. Dit betoog treft geen doel. De Raad ziet geen aanknopingspunten op grond waarvan de vastgestelde plaatsingsvolgorde, zoals neergelegd in de Regeling landelijk sociaal statuut politie en de daarop gebaseerde nadere afspraken, op appellant niet van toepassing zouden zijn. Zoals door de korpschef is benadrukt, kan aan het kenbaar maken van een voorkeursfunctie geen recht op die functie worden ontleend, ook niet als die functie vacant is. Daar komt bij dat bij plaatsing van een herplaatsingskandidaat als eerste uitgangspunt geldt dat sprake moet zijn van een passende functie als bedoeld in artikel 55o van het Besluit algemene rechtspositie politie. De functie van Operationeel specialist E is een executieve functie en appellant heeft niet de executieve status, zodat geen sprake is van een passende functie.
3.3.
Dit laatste betekent ook dat niet wordt toegekomen aan bespreking van het subsidiaire standpunt van appellant dat het taakgebied waarin de in de korpsfunctie genoemde werkzaamheden in belangrijke mate terugkeren, onjuist is vastgesteld. Wat er immers ook zij van dat argument, het kan niet leiden tot plaatsing in de door appellant geambieerde functie van Operationeel Specialist E, nu die functie geen passende functie is.
3.4.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en C.H. Bangma en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van F.H.R.M. Robbers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2019.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) F.H.R.M. Robbers
lh