ECLI:NL:CRVB:2019:1488
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken pgb-aanvraag
Appellant had een indicatie voor zorg in natura gekregen op grond van de AWBZ, welke per 1 januari 2015 is overgegaan naar het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam onder de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Appellant stelde het college in gebreke vanwege het niet tijdig beslissen op zijn vermeende aanvragen uit 2015 om de indicatie om te zetten in een persoonsgebonden budget (pgb).
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij daadwerkelijk een of meer aanvragen om een pgb had ingediend en het beroep bovendien onredelijk laat was ingediend. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij wel degelijk aanvragen had ingediend en dat er bewijs was in de vorm van stukken en telefonisch contact met het college.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad vond dat appellant geen begin van bewijs had geleverd dat hij in 2015 een aanvraag had ingediend. De verklaringen en rapporten die appellant overlegde, betroffen latere data of onderbouwden niet dat een aanvraag was ingediend. Hierdoor was het niet nodig om het tijdstip van het beroep nader te beoordelen.
De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een aanvraag om een pgb heeft ingediend.