Uitspraak
17.6020 AKW
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving kinderbijslag voor zijn zoon, maar sinds zijn detentie op 3 januari 2015 werd de kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 2015 geweigerd door de Sociale verzekeringsbank (Svb). De Svb stelde dat appellant niet in belangrijke mate bijdroeg aan het onderhoud van zijn zoon, waardoor het recht op kinderbijslag verviel.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant tegen deze weigering ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij door leningen van familieleden en bekenden zijn zoon had onderhouden, ondanks het verlies van zijn Wajong-uitkering en het ontbreken van een verblijfsvergunning voor zijn echtgenote.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij zelf het onderhoud had verzorgd. De schuldverklaringen betroffen leningen aan zijn echtgenote, die geen rechthebbende was en niet tot het huishouden behoorde. Bijdragen van de echtgenote tellen niet mee voor het recht op kinderbijslag. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen omdat appellant niet heeft aangetoond zijn zoon in belangrijke mate te hebben onderhouden tijdens detentie.