Appellant, voormalig machinemonteur met rugklachten en OSAS, betwistte het UWV-besluit dat zijn arbeidsongeschiktheid op 38,25% werd vastgesteld en later niet werd verhoogd ondanks verslechtering van zijn gezondheid. Na bezwaar en aanvullend onderzoek stelde het UWV een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op met beperkingen, waarop de arbeidsongeschiktheid werd berekend op 41,41%. De rechtbank vernietigde het besluit wegens procedurele tekortkomingen maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat het UWV deze tekortkomingen herstelde.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de FML onvoldoende rekening hield met zijn klachten, met name het zitten, en dat de rechtbank het equality of arms-beginsel schond door geen onafhankelijke deskundige te benoemen. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht en dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om medische stukken in te brengen. Er was geen aanwijzing voor partijdigheid van de verzekeringsartsen en geen reden om een deskundige te benoemen.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de beperkingen in de FML adequaat waren vastgesteld en dat de belastbaarheid van appellant juist was ingeschat. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.