ECLI:NL:CRVB:2019:1510
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek terugkomen op vaststellingsbesluit persoonsgebonden budget 2014
Appellant ontving voor 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) van het zorgkantoor, dat later werd vastgesteld op een lager bedrag waarbij een deel werd teruggevorderd wegens het ontbreken van administratieve bewijsstukken over de tweede helft van 2014.
Appellant maakte bezwaar en verzocht om herziening van het besluit, waarbij hij alsnog de gevraagde stukken overlegde. Het zorgkantoor wees het verzoek af omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd en de stukken eerder hadden moeten worden ingediend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het zorgkantoor bevoegd was het verzoek af te wijzen en dat de afwijzing niet evident onredelijk was.
In hoger beroep betoogde appellant dat het zorgkantoor bij de complete verantwoording het besluit had moeten heroverwegen, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het bestuursorgaan op grond van artikel 4:6 Awb Pro het verzoek mocht afwijzen en dat de afwijzing niet evident onredelijk was.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek om terug te komen op het vaststellingsbesluit pgb 2014 omdat de afwijzing niet evident onredelijk is.