ECLI:NL:CRVB:2019:1512
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ZW-uitkering wegens voldoende belastbaarheid
Appellant, voormalig heftruckchauffeur, meldde zich ziek vanwege een slaapstoornis en ontving aanvankelijk ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na een eerstejaars beoordeling door verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundige werd vastgesteld dat appellant nog 84,44% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, waarna het UWV de ZW-uitkering beëindigde. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen adequaat waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen door idiopathische hypersomnolentie werden onderschat, onderbouwd met een rapport van ICARA. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen. Tevens werd meegewogen dat appellant adviezen van neurologen niet opvolgde, waardoor zijn reële belastbaarheid niet volledig kon worden vastgesteld. De Functionele Mogelijkhedenlijst van ICARA werd niet als doorslaggevend erkend vanwege afwijkingen van de geldende definities.
De Raad concludeerde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren voor appellant en dat de uitkering terecht was beëindigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Ziektewet-uitkering terecht is beëindigd wegens voldoende belastbaarheid van appellant.